
Tonnus Oosterhoff
Waarom is neuken een pompbeweging, spuitgasten?
Omdat iets boven moet komen dat liever beneden blijft.
Ik drijf op de boot in een fles gebouwd, midden in mijn leeftijd,
de fles lang geleden gepost in jan oceaan.
Op dit scheepje gebruik ik mijn hand, ik kneed
een kleine bal waarop vier mooie vrouwen staan afgebeeld,
een roodharige, een zachtaardige, een spring-in-’t-veld,
een strakke met een hartvormige kont. Ja,
de gedroomde meidengroep, spuitgasten.
Een grotere bal: meer prachtvrouwen;
een reusachtige bal: ze zijn met duizenden,
allen net dat beetje wezenlijk verschillend van elkaar.
Die bal maken, ermee spelen. Die bal zijn, iedereen
stuit en stuitert.
De nachthemel boven zee is een grote binnenbal.
Opeens moet ik glimlachen, spuitgasten.
Ik glimlach terwijl ik innerlijk glimlach maar diep vanbinnen
glimlach ik ik glimlach maar nog dieper
van afzichtelijk zelfvertrouwen, want
als ik er niet was stond in mijn plaats een ander,
misschien met een kleinere kei in zijn armen,
of juist met ondragelijk rotsblok,
maar als ik wérkelijk niet bestond viel alles
in het gat, heel Universal Pictures.
Veel door een tuitje geeft spanning. Ik mag
de nacht op de rand van een bed doorbrengen,
zij verzorgt mijn ogen tot we aan elkaar vastzitten.
Dit is maar fantasie, spuitgasten. Het is maar
met de beek spelen
tot de visjes er hoofdpijn van krijgen.
veel door een tuitje geeft spanning.
De zuiging wordt zeer sterk;
leenman waggelt vertwijfeld door de ruïnes van zijn slot.
Aan de randen vliegt voetvolk, vliegen wachters, keukenkrachten...
De inwendige vogel kaal groothoofds
valt uit het nest en is prooi.
In speculis speculorum amen.
De doden werkten allen in het ontplofte bedrijf.
Niets gebeurt, niets beweegt nog.
Wat heeft een dag maar weinig uren.
Wat geeft de zon maar weinig licht.
Mijn fles in een kist geborgen.
Op dorre benen naar de kraan.
Goed wassen, spuitgasten, altijd goed wassen,
overal waar je geweest bent.
Ik blader door oude nummers Groei en bloei
en ik heb trek in steen.
Willen komen bij waar je naar wijst,
wat is dat voor ambitie? Je vinger achterna?
Je afstand verliezen om de afmeting van deelname
vast te stellen?
Uit: Ware grootte
De Bezige Bij, Amsterdam, 2008
Sybren Polet
VERDEDIGINGSGRIJS
Dag amper aan de supermarkt ontsnapt.
Verdedigingsgrijs, de allernatuurlijkste kleur.
Leven een quaestie van ondergeluk.
Eten
een krachttoer, een krachtmeting.
De ziel
als een hond met een kunstgebit,
gevangen in de draaideur van een warenhuis.
Eenhoog aan de gevel gekleefd
een handvol bejaarde hangjongeren.
In de bomen enkele nagesynchroniseerde merels.
Op het gazon: een zielig hoopje massa-DNA
ter grootte van een molshoop.
Je speurt de zwakke uitstraling.
Droom van een trauma:
de verstrooide as van een gecremeerde crimineel
die je door wind in het gezicht wordt geblazen.
De vijfvingerige leegte die je aangrijnst.
In de lucht: een eigenhandig gedolven mangat
dat je zult vullen met jezelf.
Laberdi laberda laberdonia.
Uit: Binnenstebuitenwereld
Wereldbibliotheek, Amsterdam 2008
Peter Verhelst
Vaas
Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt,
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.
Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?
Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.
Uit: Nieuwe sterrenbeelden
Prometheus, Amsterdam, 2008