
Wilmink werd in 1936 geboren in de Javastraat te Enschede in een socialistisch geëngageerd gezin. Zijn vader was procuratiehouder in de textiel. Na het behalen in 1954 van zijn eindexamen Gymnasium-α ging hij Nederlands studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn kandidaats studeerde hij ook Geschiedenis. Gedurende zijn studie schreef hij zijn eerste gedichten en cabaretteksten. Hij publiceerde in de "Almanak van de vereniging USA" en schreef teksten voor de studenten cabaretgroep "La Pie Qui Chante" (De zingende ekster). In 1960 in het laatste jaar van zijn studie werd hij leraar aan het Vossius Gymnasium te Amsterdam.
Van 1961 tot 1978 was hij universitair docent moderne letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Wilmink had in zijn jeugd harmonicales gehad en trad tijdens de feestavonden van zijn vakgroep op met zijn trekharmonica en zong smartlappen of tekstbewerkingen van Middeleeuwse liederen. Hij vertaalde onder meer de "Beatrijs" van het Middelnederlands naar modern Nederlands.
In 1988 promoveerde Wilmink aan de Katholieke Universiteit Brabant met een proefschrift over de poëzie van Hendrik de Vries. Hij was ook bekend als literair vertaler en bezorger van gedichten van Emily Dickinson en W.H. Auden. In samenwerking met neerlandici vertaalde hij het verhaal van de legendarische Ierse heilige Brandaan. Hij leverde in samenwerking met de neerlandicus W.P. Gerritsen ook vertalingen voor de bundel Lyrische lente, een bloemlezing van middeleeuwse poëzie.
Een aantal beschouwingen over middeleeuwse literatuur bundelde hij onder de titel Mijn middeleeuwen. Ook schreef hij historische artikelen over kathedralen en de herkomst en geschiedenis van het Belgische bier.
Vanaf 1965 schreef Wilmink gedichten, essays, liedjes en proza voor de literaire tijdschriften "Tirade", "Maatstaf" en "De Revisor". Zijn literair debuut was in 1966 met de verhalenbundel "Brief van een Verkademeisje". Van 1968 tot 1970 was hij de poëzierecensent voor het dagblad "De Tijd" en van 1971 tot 1977 redacteur van het tijdschrift "Spektator".
Samen met Hans Dorrestijn, Karel Eykman, Ries Moonen, Fetze Pijlman en Jan Riem vormde hij in 1970 een schrijversgroep die schreef voor televisieprogramma's als: "De Stratemakeropzeeshow", "Het Klokhuis", "De Film van Ome Willem", "Sesamstraat", "J.J. De Bom voorheen De Kindervriend" en "Kinderen voor kinderen". Ook schreef hij vele liedjes voor musicals.
In 1978 werd hij fulltime tekstschrijver en vestigde zich in Capelle aan den IJssel. Tot aan zijn dood schreef hij op een typmachine want hij wilde niet werken op een computer. Vanaf 1979 gaf hij ook enkele jaren één dag per week les aan de Kleinkunstacademie te Amsterdam.
Met zijn eigen begeleidingsgroep Quasimodo trad hij in de jaren '90 regelmatig op als zanger waarbij hij ook de accordeon bespeelde. Zijn liederen zijn ook door veel anderen vertolkt. Hieronder zijn Herman van Veen (Hilversum 3, De bom valt nooit), Wieteke van Dort (Arm Den Haag), Joost Prinsen (Frekie) en de cabaretgroep Don Quishocking (De Oude School). Veel van zijn teksten zijn door Harry Bannink en Frank Deiman op muziek gezet.
Wilmink heeft veel kinderboeken op zijn naam staan. Aanvankelijk richtte hij zich op volwassenen, maar later werden kinderen zijn voornaamste doelgroep. Wilmink schreef gedichten en verhalen voor volwassenen en voor kinderen, teksten voor cabaret en televisie, een driedelige cursus over gedichten schrijven, bewerkte oude teksten zoals "De reis van Sint Brandaen" uit de 12e eeuw en verklaarde het Wilhelmus.
Hij vertaalde gedichten en prentenboeken uit het Duits, Engels, Frans en Zuid-Afrikaans. Tevens vertaalde hij de Carmina Burana in het Nederlands voor een serie uitvoeringen die op 11 mei 1996 in Enschede in première ging en ook op cd uitkwam.
Wilmink had een speciale band met Twente. Hij is niet alleen in de Javastraat in Enschede geboren, maar er ook gestorven. Op latere leeftijd wilde hij terug naar Twente. Willem Wilmink sprak net als zijn vriend Herman Finkers met een Twents accent. Hij schaamde zich hier niet voor, integendeel! Hij schreef ook in het Twents, in ‘t Kupersdieks zoals hijzelf zei.
Wilmink koos de onderwerpen van zijn gedichten dicht bij huis; geen poëzie van grote hartstochten of diep romantische liefdes. Hij schreef liever over Frekie, een imbeciel jochie, een mongool, dat waarschijnlijk een buurjongetje van Willem geweest is, volgens een oude buurvrouw van Willem. Of Wilmink schreef over zijn broertje, een aardig ventje, dat wel, dat wel!.
Maar ook zijn geliefde Enschede, Amsterdam, Ootmarsum en zelfs Almelo zijn bronnen voor zijn gedichten. En niet te vergeten het cafeetje Het Bolwerk waar altijd een Duveltje voor hem klaar stond. In Het Bolwerk bij de Markt / wil ik overlijden, / met een Duvel van het schap / voordat ik moet scheiden.
Mooi en eenvoudig taalgebruik
Willem schreef heel eenvoudig, zo eenvoudig dat de diepgang in zijn gedichten iemand gemakkelijk zou kunnen ontgaan. Over een dominee die preekt schrijft Willem: Wanneer je op de kansel staat / En over schuld en zonde praat, / herdenk dan ook eens in je preek / Hoe jij die mooie meid bekeek.
Men zou kunnen zeggen dat Wilmink verlangde naar mensen die hem begrepen. En die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen, / kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht. / Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen, / je deed het boek van alle droefenissen dicht.
Dit heimwee werd in de loop van zijn leven zo sterk dat hij niet meer uit Twente wilde, zelfs niet meer uit Enschede.
Dood zijn duurt zo lang schreef Wilmink. Hij vraagt zich af in dit gedicht hoe het zal zijn om dood te zijn: Als je dood bent, droom je dan? / En waar droom je dan wel van?