Hoofdnavigatie


Week 6, donderdag 9 februari 2012, 00:36

Zoeken zoek in cultura

Eduard Douwes Dekker: Multatuli is mijn naam

Eduard Douwes Dekker: Multatuli is mijn naam

Eduard Douwes Dekker is waarschijnlijk het bekendste lid van het Nederlandse patriciërsgeslacht Douwes Dekker. Hij werd geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam uit een doopsgezinde familie. Al vroeg stelde hij kritische vragen over het geloof en schreef hij gedichten. Zijn vader - Engel Douwes Dekker - was scheepskapitein en zijn moeder huisvrouw. Zij heette Sytske Eeltjes Klein. In dit gezin zouden vijf kinderen geboren worden: Catherina (1809), Pieter Engel (1812), Jan (1816), Eduard (1820) en Willem (1823).

In 1838 reisde Eduard aan boord van het schip waar zijn vader het commando over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad Eduard Douwes Dekker in dienst van het Nederlands Bestuur als kommies van de Algemene Rekenkamer; in de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar, los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu, een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel-)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.


Bestuursambtenaar In Nederlands-Indië

Zo werd Douwes Dekker in 1842 op 12 oktober benoemd tot controleur van het roerige district Natal aan de Westkust van Sumatra. Onder Dekkers controleurschap bleek hier echter een kastekort, waarover hij een ernstige berisping kreeg van de gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Michiels. Het leverde hem het etiket "eerloos" op, waardoor Douwes Dekker zich bijzonder gegriefd voelde. Toen hij wegens het tekort te Natal door Michiels tijdelijk geschorst was, en, naar eigen zeggen zelfs honger leed, schreef hij, om zich te revancheren, het toneelstuk De eerloze, later uitgegeven als De bruid daarboven.

Overigens is het de vraag of Dekker voor het kastekort te Natal wel verantwoordelijk was; door zijn bemoeienis met plaatselijke conflicten had hij nauwelijks tijd om zich met de financiën bezig te houden. Het tekort dateerde al van voor Dekkers komst, en was volgens de Max Havelaar, waarin deze episode uitgebreid beschreven wordt, ontstaan doordat gelden voor troepenzendingen naar het binnenland niet waren geadministreerd.

Uiteindelijk werd de geharde generaal, die de vele opstanden op West-Sumatra met succes had neergeslagen, door de Algemene Rekenkamer te Batavia in het ongelijk gesteld. Maar Dekker was als jong bestuursambtenaar de strijd met hem aangegaan, en moest daarom onherroepelijk het veld ruimen. Nadat hij het tekort uit eigen middelen had aangevuld werd hij op wachtgeld gezet en naar Java overgeplaatst. Het zou echter nog niet het laatste conflict zijn in Dekkers ambtelijke carrière, en nadien in zijn schrijverschap.



Terug op Java trouwde Dekker in 1846 met Tine baronesse van Wijnbergen. Uit dit huwelijk zouden twee kinderen geboren worden: zoon Edu in 1854 en dochter Nonni in 1857. Met zijn zoon Edu bleef de verhouding zijn leven lang moeilijk. Dat hij naast zijn vrouw ook andere vrouwen meer dan aardig vond, was voor Tine een zware beproeving, vooral na hun terugkeer naar Nederland en het begin van zijn literaire carrière.

Na functies in 's lands dienst te Krawang en Poerworedjo, waar hij in ondergeschikte posities werkte, werd Dekker in 1848 benoemd tot secretaris van de residentie Menado op het eiland Celebes, waarmee hij volledig herstel van zijn ambtelijke carrière genoot. Zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel voor de inlandse bevolking vond hier waardering bij resident Scherius, die bij zijn vertrek in 1851 Dekker als zijn opvolger aanbeval. Het gouvernement ging hier niet op in; Dekker maakte opnieuw privéschulden en tijdens zijn latere verlof in Nederland bleek bovendien dat hij ook hier een bestuurlijk kastekort achterliet, waarvan de precieze oorzaken niet zijn opgehelderd. Uit zijn tijd in Menado is verder een toespraak van Dekker tot de inlandse hoofden overgeleverd, die sterke gelijkenis vertoont met de beroemde toespraak uit Lebak, die de schrijver Douwes Dekker later zou verwerken in zijn Max Havelaar.

Eind 1851 beklom Dekker een nieuwe sport op de bestuurlijke ladder door zijn plaatsing te Ambon als assistent-resident, maar om gezondheidsredenen werd hem reeds na enkele maanden een langdurig verlof naar Nederland toegestaan, waar hij van 1852 tot mei 1855 verbleef. Hij maakte er vele plannen o.a. voor boekuitgaven, maar verwezenlijkte er weinig. Wel maakte hij bovenop zijn verlofgeld tal van schulden, naar het schijnt in de ijdele veronderstelling, dat hem geld zou toevloeien via de familie van zijn vrouw. Ondanks zijn later succes als schrijver, werd Dekker vrijwel zijn hele leven door schuldeisers achtervolgd.


De zaak-Lebak

Eduard Douwes Dekker in 1853. Na aankomst te Batavia eind 1855 werd Eduard Douwes Dekker benoemd tot assistent-resident van Lebak op Java, waar hij in januari 1856 zijn intrek nam in de hoofdplaats Rangkasbetoeng. Dekker was slecht bij kas - onder andere door zijn vrijgevigheid - maar zijn toekomst zag er gunstig uit: hij had een goede staat van dienst en zou waarschijnlijk wel tot resident bevorderd worden, met het bijbehorende salaris. Het liep echter anders.

In Lebak werd hij geconfronteerd met ernstig machtsmisbruik door de plaatselijke Indische hoofden; bovendien meende hij uit tal van aanwijzingen op te kunnen maken dat zijn voorganger Carolus (in het boek Slotering genoemd) door de regent (inlandse hoofdman) was vergiftigd, naar hij vermoedde wegens diens pogingen wantoestanden op het spoor te komen. Hij nam nog in februari 1856 ontslag toen zijn aanklacht tegen de regent van het district Lebak, die zijn bevolking meedogenloos uitzoog, door het Nederlands-Indische bestuur was afgewezen.

Dekker kon of wilde niet langer in dienst blijven van een ambtelijke top, die de andere kant op keek als van de plaatselijke bevolking bijvoorbeeld buffels werden geroofd ten behoeve van de regenten of onbetaalde diensten werden gevraagd. Daardoor konden de akkers niet worden bewerkt, met als gevolg dikwijls hongersnood. Toen ook gouverneur-generaal Duymaer van Twist hem niet wilde ontvangen om zijn klachten aan te horen was voor Dekker de maat vol.

Tevergeefs trachtte hij op Java emplooi te vinden, onder meer op de plantage van zijn broer Jan; het jaar daarop keerde hij definitief terug naar Europa. Aldaar zwierf hij als ambteloos burger enkele jaren alleen door onder andere Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. In 1859 keerden ook Tine en de kinderen naar Europa terug, waardoor Dekkers financiële positie steeds moeilijker werd.


Ontstaan en publicatie van de Max Havelaar

In 1859 schreef Dekker, berooid in Brussel, in ongeveer een maand tijd Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Reeds het manuscript van dit over de bestuurscultuur van Nederlands-Indië uiterst kritische boek, dat hij in november 1859 aan de advocaat en letterkundige Jacob van Lennep deed toekomen, maakte diepe indruk in leidende kringen in Nederland. Met Dekker werd onderhandeld om hem een 'convenabele betrekking' in West-Indië te bezorgen, zodat hij van publicatie zou afzien. Maar Dekker weigerde zich te laten afschepen naar Suriname of de Nederlandse Antillen, en gaf Van Lennep de opdracht, het boek te doen uitgeven.

In mei 1860 verscheen het bij uitgeverij De Ruyter te Amsterdam, voor het destijds bijzonder hoge bedrag van vier gulden. Van Lennep had bovendien alle Nederlands-Indische plaatsnamen onherkenbaar gemaakt, en tal van andere ingrepen toegepast. Verder had hij Multatuli onder valse voorwendselen het auteursrecht afhandig gemaakt, zodat de schrijver geen opdracht kon geven voor een goedkope volksuitgave. Hierdoor duurde het enige tijd, voor het boek de gewenste verspreiding kreeg. Niettemin werd Dekker als Multatuli in de luttele maanden na verschijning, beroemd en "de meest besproken man in Holland"

In de Max Havelaar maakte Dekker de koloniale misstanden in Nederlands-Indië, die hij van zeer nabij had aanschouwd en waartegen hij tevergeefs had geageerd, op beeldende wijze openbaar: zo staan er meeslepende vertellingen ("Saïdja en Adinda") in over de uitwerkingen van het gezagsmisbruik op de bevolking. In de figuur van koffiemakelaar Droogstoppel verschijnt een onsterfelijke karikatuur van de Hollands-calvinistische ondernemer ten tonele, die met zijn welbegrepen en godsvruchtig eigenbelang, half-naïef en half doortrapt, het systeem van onderdrukking in stand houdt, terwijl hij er geen idee van heeft wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt. Het boek bevat verder, naast interessante tafelgesprekken (waarin Dekkers periode op Sumatra wordt beschreven), letterlijke weergaven van ambtelijke stukken die Dekker verstuurde en ontving als assistent-resident van Lebak.


Reacties op het boek

De reacties in Nederland op het boek varieerden van geschokte afwijzing tot hartstochtelijke bewondering, al werd ook gepoogd de schrijver verdacht te maken en het boek te negeren. Tevergeefs: Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy werd in heel Europa verkocht en bewonderd. Tot verdriet van Dekker werd het echter vooral geprezen om zijn literaire kwaliteiten, en minder om de zaak-Lebak en het lot van de inlanders, waar het de schrijver vooral om te doen was geweest. Daarnaast had hij ermee gestreefd naar eerherstel door de Nederlandse regering en een leidinggevende functie in Nederlands-Indië, teneinde aldaar de nodige veranderingen te bewerkstelligen; verwachtingen waarin hij in de daaropvolgende jaren zwaar werd teleurgesteld.


Schrijverschap en laatste jaren

Hierna besloot Dekker zich voortaan als Multatuli te wijden aan het schrijverschap. In 1866 emigreerde hij naar Duitsland, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. Hij was inmiddels een veelgelezen schrijver wiens stilistische kwaliteiten alom erkend werden, o.a. door zijn Minnebrieven en zijn diverse bundels Ideën (waar zijn (onvoltooide) jeugd- en ideeënroman Woutertje Pieterse en Vorstenschool deel van uitmaken). Toch bleef hij wegens zijn compromisloze houding bij zijn tijdgenoten omstreden en kampte hij voortdurend met geldgebrek.

In 1874 overleed zijn vrouw Tine, van wie hij al langere tijd gescheiden leefde. In 1875 hertrouwde hij met Maria Hamminck Schepel (ook wel bekend als Mimi), die zich na zijn dood ontfermde over zijn omvangrijke nalatenschap aan brieven, die zij grotendeels publiceerde. In 1877 besloot hij wegens zijn slechte gezondheidstoestand definitief met schrijven te stoppen. Hij overleed op 66-jarige leeftijd te Nieder-Ingelheim.


Crematie

Vier dagen later werd Multatuli als eerste Nederlander gecremeerd, in het crematorium te Gotha. De urn met de as stond tot 1930 bij Hamminck Schepel, en kwam na haar overlijden in het Multatuli Museum (dat toen nog onderdeel was van de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam). Op 6 maart 1948 werden de urnen met de as van Multatuli en van zijn weduwe in een monument voor Multatuli op de begraafplaats Westerveld te Driehuis geplaatst. Het monument was een initiatief van de Vereniging voor Facultatieve Lijkverbranding.


Betekenis van zijn werk

Multatuli verscheen op het toneel toen de Nederlandse literatuur nog werd beheerst door het protestantse domineesmoralisme; dat dit in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk veranderde, is in niet geringe mate aan zijn invloed te danken. In zijn vroegste werk klinkt een sterke echo door van de Romantiek, een beweging die Nederland bijna had overgeslagen. Een blijk daarvan in de Max Havelaar is te vinden in zijn citaten van de vroege Heine en zijn eigen Duitse gedichten in Heines trant. De romantiek zat Multatuli al vroeg in het bloed, getuige o.a. de wens van zijn kinder-alter ego Woutertje Pieterse om Koning van Afrika te worden; zijn romantische instelling laat zich mede verklaren door het feit dat hij zich al vroeg had losgemaakt van zijn protestants-christelijke achtergrond, die in doopsgezinde gedaante al moderner was dan gebruikelijk voor zijn tijd, alsmede door de invloed van Rousseau.


Multatuli neigde in de loop van zijn schrijverschap echter steeds meer naar een atheïstisch-rationalistisch wereldbeeld zoals dat onder invloed van met name de Franse Verlichtingsfilosofen ontstond; aldus streefde hij, in de woorden van Philip Vermoortel naar "een combinatie van hart en verstand", die zich niet in één bepaald systeem of literaire stroming laat vangen, en waarvoor hij vaak anekdoten uit zijn eigen leven als voorbeeld aanhaalt: bijvoorbeeld het verhaal in de Minnebrieven, dat hij ooit een Amsterdamse gracht in sprong om het keppeltje van een Joods jongetje te redden. Aan de ene kant kan het werk van Multatuli als romantisch-idealiserend gekarakteriseerd worden, aan de andere kant getuigt het van een sterk sociaal engagement dat berust op een realistische beschrijving van de feiten.

Wie Multatuli leest is ver verwijderd van regels en modellen, behalve misschien van de wiskundige modellen die hij uitdacht om succes te hebben aan de speeltafel - men vindt ze in zijn Miljoenenstudiën - maar de wiskunde was dan ook een van de weinige 'specialismen' die hij beheerste. Op het soort specialisme, dat de héle mens achter de coulissen laat verdwijnen, had hij het niet begrepen. Zijn Duizend- en eenige hoofdstukken over specialiteiten zijn tegen deze mentaliteit een aanklacht, die in veel opzichten vermakelijk is, maar voor de schrijver een zeer serieuze zaak was; zeker als men bedenkt dat hij in Nederland vaak in zijn ogen onbekwame figuren zag worden benoemd in zíjn Nederlands-Indische 'specialisme.' Meestal waren dat dan voormalige hoge bestuursambtenaren, die in Nederlands-Indië niet veel meer hadden gezien dan de hoofdplaats Batavia, en daar een risicoloos leven hadden geleid.

Menno ter Braak meende dat het steeds weer positie kiezen in allerlei kwesties, waar Multatuli's werk oppervlakkig gezien toe uitnodigt, ten koste dreigt te gaan van het grotere thema dat aan heel zijn werk ten grondslag ligt: namelijk dat van de menselijke waardigheid. De liberale cultuur erkende hem als burger en schrijver, maar niet als mens, aldus Ter Braak. Tijdens Multatuli's leven viel zijn motto 'De roeping van de mens is mens te zijn!', dan ook op weinig vruchtbare bodem in de kringen die ertoe deden, al slaagde hij er wel in, een bonte schare aanhangers te verwerven. Maar het motto getuigt wel van zijn blijvende actualiteit, die hem, mét zijn stilistische kwaliteiten, met kop en schouders doet uitsteken boven de meeste Nederlandse schrijvers uit de negentiende eeuw.

Kritiek

Vrijwel al Multatuli's werken ademen een geest van afrekening met een kleinburgerlijke omgeving, waar de schrijver zich in het buitenland aan had kunnen onttrekken, maar waar hij in Nederland, zich richtend tot de publieke opinie aldaar, opnieuw mee werd geconfronteerd. Zijn latere bewonderaar E. du Perron heeft hierover gezegd: "Men ontkomt niet aan de akoestiek van de zaal waarvoor men spreekt." In dit laatste schuilt wellicht de adder onder het gras in zijn werk: veel critici hebben gesteld dat Multatuli meer had kunnen bereiken - mogelijk zelfs het door hem begeerde ministerschap van koloniën - als hij niet zo impulsief was geweest; zich minder op de voorgrond had geplaatst en zijn leven en werk beter had gestileerd, zoals hij toch had gedaan in zijn Max Havelaar - behalve dan aan het einde van dat boek, waarin hij zijn aanklacht tegen het Nederlandse gezag als het ware in het gezicht van de koning slingert.

Maar de schrijver, wie het naar eigen zeggen in de eerste plaats om waarheid en eerlijkheid ging, kon zich zeer boos maken om dit soort kritiek, die hij al vroeg voorzag, getuige de volgende passage uit het slot van de Havelaar:

"..het was mij niet te doen om goed te schrijven...ik wilde zó schrijven dat het gehoord werd. En, evenals iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig bekommert over den styl zyner geïmproviseerde toespraak aan 't publiek, is het ook my geheel om 't even, hoe men de wyze zal beoordelen, waarop ik myn "houdt den dief!" heb uitgeschreeuwd."

Men dient dus te bedenken, dat Multatuli zijn literaire roem niet als doel op zichzelf zag, maar bleef streven naar een belangrijke maatschappelijke rol, hoe onrealistisch ook in het licht van zijn tijd, en hoe vager zijn doel om 'het lot van de Javaan' te verbeteren, allengs ook werd.

Multatuli's personages, hoewel vaak beeldend beschreven, zijn veelal niet zeer subtiel - zo staan ook in Max Havelaar goed en kwaad ongenuanceerd tegenover elkaar: Max Havelaar, door zijn Tine gesteund, tegenover Droogstoppel, de Regent en het perfide Nederlandse gezag. Tussenfiguren, zoals de Controleur Verbrugge of de Resident Slymering, worden nauwelijks psychologisch beschreven en staan uiteindelijk wel of niet aan de "goede" kant. Merkwaardig genoeg lijkt Multatuli's moralisme in dat opzicht dus op het 'zwart-wit'-schema van zijn Droogstoppel en van veel burgerlijke politici die hij bestreed.

Zijn grieven golden meestal de politiek; het beheerste en beeldend beschrijvende van het grootste deel van de Max Havelaar, waarin hij zich bewust in acht nam teneinde een zo groot mogelijk effect te sorteren, heeft hij in geen enkel ander werk meer bereikt. Dit ondanks de anecdotische stijl en de onverwachte wendingen van bv. de Ideën, die toch minder vloeiend lezen dan de Max Havelaar. Zijn polemieken tegen dominees en politici uit zijn tijd, die nu grotendeels vergeten zijn, vergen van de huidige lezer een vertaalslag, maar laten anderzijds juist zien, hoezeer ook huidige maatschappelijke toestanden steeds door menselijke zwakheden worden beïnvloed.


Cultura links