
Als je Remco Campert thuis belt en vraagt of het gelegen komt, is steevast het antwoord: "Nou, ik ben aan het werk, maar zegt u het maar..."
Remco Campert behoorde in de jaren vijftig tot de Vijftigers, een groepje schrijvers dat zich verwand wist met het idee dat het tijd werd voor een nieuwe literatuur, anders, experimenteler.
Campert bleek van het stel de minst experimentele schrijver. Hij werd dan ook beschouwd als de meest verstaanbare Vijftiger.
In 1961 debuteerde hij als romanschrijver met "Het leven is vurrukkulluk". Met dat boek vond hij de toon die kenmerkend zou blijven voor zijn werk: direct, ironisch, soms cynisch, humoristisch en met een floers van weemoed.
In 2005 en 2006 heeft Campert twee romans geschreven, die zeer lovend zijn ontvangen: "Een liefde in Parijs" en "Het satijnen hart". Onlangs verscheen het gedichtenbundel Nieuwe herinneringen:
De witte roos
Het was laat in het jaar
ach eigenlijk bedoel ik eind november
de negenentwintigste als ik het wel heb
zo om een uur of vier in de middag
( zo op de minuut af weten is moeilijk
zowel van tevoren als achteraf
slechts tijdens had het gekund
maar ik lette niet op de tijd)
toen van de witte roos
het laatste blaadje losliet
en neerwaarts warrelde
donkerende grond tegemoet
( uit "Nieuwe herinneringen")
Zijn vader was de dichter Jan Campert, auteur van het beroemde gedicht Het lied der achttien doden. Zijn moeder is actrice Joeki Broedelet, onder andere bekend van de gastrollen die ze op latere leeftijd speelde bij Van Kooten en De Bie. Zij gaan uit elkaar als Campert 3 jaar is, waarna hij afwisselend bij een van hen en bij zijn grootouders woont tot hij in 1942 wordt ondergebracht bij een pleeggezin. Wanneer de wijk waarin ze wonen door de Duitsers wordt afgebroken, vertrekt het gezin naar Epe, waar Campert de Mulo bezoekt. Het is ook in Epe, waar hij in 1943 hoort dat zijn vader op 42-jarige leeftijd in het concentratiekamp Neuengamme is overleden. Na de oorlog gaat hij met zijn moeder in Amsterdam wonen en volgt het gymnasium aan het Amsterdams Lyceum. Hij verlaat de school voortijdig, nadat hij het besluit heeft genomen schrijver te worden.
In 1949 trouwt hij met Freddie Rutgers. Ze wonen enige tijd in Parijs. Terug in Nederland gaat Freddie Rutgers in 1954 samenwonen met Gerrit Kouwenaar en trouwt Campert met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Hun woning in Blaricum wordt een ontmoetingsplek voor schrijvers en dichters.
In 1957 gaat het tweetal uit elkaar en keert Campert terug naar Amsterdam. Nadat hij in 1960 met Lucia van de Berg zijn eerste kind, dochter Emanuela krijgt, trouwt hij in 1961 met haar en krijgt in 1963 zijn tweede kind, dochter Cleo Campert. In 1964 verhuizen ze naar Antwerpen, waaruit hij in 1966 alleen terugkeert. Hier leert hij galeriehoudster Deborah Wolf kennen, met wie hij tot 1980 samenleeft.
Nadat Campert het Lyceum verlaat voorziet hij de eerste jaren in zijn levensonderhoud met het schrijven van reclameteksten en vertalingen. In 1950 probeert hij in Parijs op straat zijn bundeltje Ten lessons with Timothy te slijten, gebaseerd op het gelijknamige album van Dizzy Gillespie (oplage 25 stuks).
Voorjaar 1950 richt hij met Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op. In juli van hetzelfde jaar wordt de redactie uitgebreid met Lucebert en Bert Schierbeek. Net als het door Simon Vinkenoog opgerichte blad Blurb fungeert Braak als platform voor experimentele dichters. Na het verschijnen van de bloemlezing Atonaal in 1951, onder redactie van Vinkenoog, worden de deelnemende dichters ? waaronder ook Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg en Hugo Claus, aangeduid als de Vijftigers. Hoewel ze zichzelf niet zozeer als groep zien en geen manifest of gelijke literatuuropvatting hebben, delen zij het verzet tegen de literaire traditie en het besef dat een nieuwe poëzie ontstaat. Campert is de minst experimentele dichter en geldt als 'de meest verstaanbare Vijftiger'.
Begonnen als dichter, begint hij in de vijftiger jaren uit geldgebrek cursiefjes te schrijven voor tijdschriften als Podium, Vrij Nederland, Tirade en Het Parool. In de zestiger jaren worden zijn verhalen steeds langer en publiceert hij ook romans. Zijn werk bevat veel autobiografische elementen en is vaak cynisch of ironisch. In de zeventiger jaren voelt hij een fysieke afkeer tegen het schrijven en publiceert hij vrijwel niets nieuws. Er komt pas in 1979 een einde aan dit writers block, hetzelfde jaar waarin hij de P.C. Hooftprijs krijgt voor zijn poëzie. In het juryrapport staat hierover: 'Het hele poëtische oeuvre van Remco Campert overziend, is de jury onder de indruk gekomen van de persoonlijke kroniek van de jaren 1950-1970 die erin is neergeschreven. De hachelijke en belachelijke feiten van deze levensperiode zijn door de dichter onvergetelijk geboekstaafd.'
Zijn prozawerk is bij een groot publiek populair, dankzij de grote toegankelijkheid van zijn werk. Met name Het leven is vurrukkulluk en Tjeempie! of Liesje in Luiletterland, een persiflage op de pornografische roman, waarin karikaturen van Nederlandse auteurs zijn verwerkt, komen veel voor op eindexamenlijsten van scholieren.
Zijn werk Het gangstermeisje wordt in 1966 verfilmd door Frans Weisz. In 1976 verschijnt de film Alle dagen feest, een vierluik geregisseerd door Ate de Jong, Otto Jongerius, Paul de Lussanet en Orlow Seunke, gebaseerd op de verhalen Alle dagen feest, Een ellendige nietsnut, Hoe ik mijn verjaardag vierde en Op reis.