Hoofdnavigatie


Week 6, donderdag 9 februari 2012, 00:01

Zoeken zoek in cultura

J. van Oudshoorn.

J. van Oudshoorn.

J. van Oudshoorn (auteursnaam van Jan Koos Feylbrief, 20 december 1876 – 31 juli 1951) was een Nederlands schrijver.

Van Oudshoorn werd geboren in Den Haag als zoon van een ambtenaar aan het Algemeen Rijksarchief. Hij volgde de HBS en studeerde aan de Indische Instelling in Delft. Op 1 oktober 1899 werd hij tweede klerk bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, en in februari 1905 werd hij benoemd tot tweede kanselier van de ambassade in Berlijn, waar hij in 1911 directeur-kanselier werd. Hij trouwde op 16 april 1914 met de Berlijnse mannequin Marie Elise Gertrud Teichner. Het huwelijk bleef kinderloos.

Van Oudshoorn bemoeide zich weinig met het literaire leven van zijn tijd. Hij correspondeerde alleen met P.C. Boutens, Lodewijk van Deyssel en Frans Coenen, die bij verschillende uitgevers een lans voor Van Oudshoorns proza brak. Zijn enige contact met cultuur was de Berlijnse sociëteit Nederland en Oranje, die hij elke donderdagavond bezocht. Hij las weinig, maar zat 's avonds te schrijven aan een zich gestadig uitbreidend oeuvre van romans en verhalen, die een verre echo lijken van het naturalisme van De Tachtigers, maar waarin ook invloeden van de filosofie van Hegel herkenbaar zijn.

Per 1 januari 1933 werd hem in verband met overheidsbezuinigingen eervol ontslag verleend, waarbij hem tot zijn 65ste wachtgeld werd toegekend. Van Oudshoorn keerde terug naar Den Haag, waar hij tot zijn dood bleef wonen in een bovenwoning aan het Van Imhoffplein, aan welk verblijf een aan de gevel aangebrachte plaquette herinnert. In de Tweede Wereldoorlog verrichtte hij werkzaamheden voor het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Na de Bevrijding werd zijn functioneren tijdens de oorlog onderzocht, maar hem werd geen straf opgelegd.

De romans en verhalen van Van Oudshoorn zijn doortrokken van een pathologische omgevingsangst, soms uitmondend in verdwijning of moord, wat als zelfmoord moet worden geïnterpreteerd, zoals in zijn debuut Willem Mertens' levensspiegel (1914) of in het in 1965 postuum verschenen Bezwaarlijk verblijf. Dezelfde sombere levensvisie ligt aan Louteringen (1916) ten grondslag, hoewel minder subjectief dan in het debuut. Iets luchtiger van toon is Achter groene horren (1943), dat als satire op het ambtenarenbestaan moet worden begrepen.
Veel personages van Van Oudshoorn komen tot niets, omdat zij bijkans omkomen in zelfverwijt en seksuele frustraties. Het uitzichtloze van hun levens weet Van Oudshoorn met zijn suggestieve schrijfstijl sterk voelbaar te maken. Romans voor mensen met een sterke maag; literatuur voor fijnproevers.

Uitgever Geert van Oorschot heeft Van Oudshoorns werk aan de vergetelheid ontrukt door de uitgave van de bloemlezing Doolhof der zinnen (1950), ingeleid door Victor van Vriesland en met een flaptekst door F. Bordewijk, en de heruitgave van Van Oudshoorns belangrijkste romans in de reeks De Witte Olifant. Voor "Doolhof der zinnen" ontving Van Oudshoorn in 1950 de Jacobson-prijs, groot 300 gulden.

In datzelfde jaar werd hij ernstig ziek. Wellicht om die reden vierde men zijn 75ste verjaardag een jaar te vroeg. Een half jaar later overleed hij op 74-jarige leeftijd te Den Haag. Op de dag waarop hij 75 zou zijn geworden, werd op zijn graf een grafsteen onthuld. Van Oudshoorns echtgenote overleed in 1960, waarna de literaire nalatenschap op straat kwam te staan. Twee omwonenden wisten de boeken en papieren het lot van de vuilnisbelt te besparen, waarna de nalatenschap terecht kwam bij de letterkundige Wam de Moor. Deze verzorgde enkele uitgaven, onder meer van de nagelaten novelle Bezwaarlijk verblijf. Van diens hand verscheen in 1982 een tweedelige levensbeschrijving.

Er zijn weinig interviews met J. van Oudshoorn bekend. En nog minder foto's. Het bekendste interview is dat welk W.F. Hermans met J. van Oudshoorn had een paar maanden voor diens dood ( opgenomen in de essaybundel "Houten leeuwen en leeuwen van goud"). Het gesprek wordt gedomineerd door de Duitse vrouw van Van Oudshoorn die zich vol zelfbeklag uit over die 'stomme Duitsers'. 
Van Oudshoorn zelf, komt over als een enigszins verzuurde man die, vittend op zijn vrouw, met bijtende ironie en een navrant gevoel voor humor zijn laatste uren op deze wereld beziet.  

W.F. Hermans heeft opgemerkt dat de romans van J. van Oudshoorn een overgang vormen tussen de psychologische romans van de Tachtigers en de filosofische romans die aan het eind van de jaren veertig van XX-ste eeuw vanuit Frankrijk doordrong in Nederland ( Sartre e.a.).

Cultura links